Wie onderzoekt wat vijftig jaar wederopbouw heeft opgeleverd, ziet vooral het werk van mannen. Dit schreef Mieke de Wit in 1995 in Vrouwen Bouwen aan Rotterdam. Lotte Stam-Beese en Riek Bakker zijn de grote uitzonderingen. Allebei waren zij pleitbezorgers voor een menselijke maat in de architectuur en stedenbouw. Dat is niet uniek voor vrouwen, maar ligt misschien wel voor de hand omdat vrouwen nog steeds meer taken combineren dan mannen. Kort na de oorlog bleven vrouwen thuis en in Rotterdam ontstond er een scheiding tussen wonen, werken en recreëren. Veel Rotterdammers die het konden betalen, verhuisden naar buitenwijken zoals Ommoord: vanwege de woningnood en vanwege het feit dat woningen in de binnenstad te klein en slecht onderhouden waren.
Arbeid en zorg combineren
Eind jaren zeventig begon de stadsvernieuwing. In oude wijken werden steeds meer vrouwen actief in bewonersgroepen (bijvoorbeeld moedergroep Oude Westen). Zij pleitten voor pleintjes waar kinderen konden spelen. Gaandeweg gingen er ook steeds meer vrouwen aan het werk, ook in de buitenwijken. Vrouwen wilden wonen in wijken met goede voorzieningen en kinderopvang, in plaats van dat ze thuis waren in afwachting van hun man die in de ochtend met de auto wegreed en ’s avonds weer terug naar huis kwam.
De combinatie van arbeid en zorg is een uitdaging en zorgt voor veranderingen. Zo verdwenen buurtwinkels, omdat gezinnen nog maar één keer per week boodschappen deden in de supermarkt. (Bron: Corry Blok, Evelien Baks e.a., Rotterdam Vrouwenstad, Rotterdamse Vrouwenraad, 1986)
Vrouwencafés
En vrouwen verenigden zich. In 1977 werd het Vrouwenhuis geopend, een ontmoetingsplaats voor heel verschillende groepen vrouwen. Want behalve de feministes die er kwamen voor dansavonden, de eetclub, vergaderingen en het voorbereiden van acties, was het Vrouwenhuis ook een veilige (toegestane) ontmoetingsplek voor islamitische vrouwen. In 1983 kreeg Vrouwencafé Dot een vaste plek aan de Westersingel. Het café was opgezet door een vereniging die obligaties had uitgegeven. Een democratisch georganiseerde vrijwilligersgroep had de leiding. Helaas ging het Vrouwencafé ten onder aan een overvloed aan inspraak en overleg. Het meer commerciële Fameus in de 1e Middellandstraat, dat in 1987 van start ging, werd eveneens geen succes, onder meer omdat bleek dat de bezoeksters te weinig omzet genereerden: “Ze nemen een kopje thee en vragen dan of ze nog een kopje warm water mogen.” (Bron: Dig It Up)
Geëmancipeerde stad
Vrouwen verwierven zich in de jaren zeventig en tachtig een plek in de stad en op de arbeidsmarkt. Dat was zichtbaar en dus schreef Mieke de Wit in 1995 dat de jongste generatie vrouwen zich niet zo druk maakte over de inrichting van de ‘geëmancipeerde samenleving’: “Veel ideeën waar vrouwen voor ijverden worden inmiddels breed gedragen. De scheiding tussen wonen, werken en recreëren is niet meer wenselijk, al was het maar vanwege het fileprobleem. Het leefmilieu en de veiligheid in de stad hebben de volle aandacht van politici en ambtenaren. Er wordt gestreefd naar een gedifferentieerde, flexibele en duurzame woningbouw.” (Bron: Mieke de Wit, Vrouwen Bouwen aan Rotterdam, 1945-1995, dienst DS&V)
Tegenpublieken
En nu, dertig jaar verder, is Rotterdam nog meer een stad geworden waarin gewoond, gewerkt en geleefd wordt. Er is een jonge generatie vrouwen opgestaan die zich wel degelijk druk maakt over de inrichting van de stad, getuige initiatieven als Gebouwen van Vrouwen van Sofie van Brunschot en de Feminist Assembly Month van tentoonstellingsmakers van HNI. Van Catherine Koekoek, die in haar werk pleit voor een infrastructuur waarin Rotterdammers kunnen dromen, een netwerk van plekken en mensen waar en met wie je je kan voorstellen dat de wereld beter zou kunnen zijn.
Tegenpublieken, noemt Koekoek dat. Publieke sferen, feministische netwerken van tijdschriften, boekwinkels, uitgeverijen, filmdistributienetwerken, onderzoeksinstituten, academische programma’s, conferenties, festivals en lokale vrouwenhuizen. (Bron: Archined)
Toekomstdromen
Waar zijn die gebleven? Veel publieke, toegankelijke infrastructuren van kennis en activisme verdwenen. Buurthuizen en bibliotheken: wegbezuinigd. De vrouwencafés en het Vrouwenhuis zijn verdwenen. De vele organisaties voor vrouwen die tot 2001 in de stad waren, zijn gefuseerd of verdwenen. Ik weet niet of dat erg is. Wel ben ik het eens met Catherine dat het belangrijk is dat er ontmoetingsplekken moeten zijn waar vrouwen gezamenlijk in actie kunnen komen. Want, zegt Koekoek: “Wanneer ik denk aan vrouwenboekhandels, die nu niet meer bestaan, zie ik plekken en netwerken voor me waarin we kunnen dromen van een andere toekomst. Niet als individuen, maar als onderdeel van een gezamenlijke strijd.” We gaan dus nog maar even door met onze Meet Ups. En zijn blij met Bar Lenie. Want echt opkomen voor de rechten en positie van vrouwen lukt niet als we dat allemaal in ons eentje doen.
Column van Marjan Beijering en Anouk van Mil, initiatiefnemers van het Rotterdamse Jaar van de Vrouw.