De gemeentelijke heffingen in Rotterdam stijgen alweer, dit keer met 5,9 procent sinds begin dit jaar. Daarmee is de rekening voor inwoners in drie jaar tijd ruim een kwart hoger geworden. Maar wat zit daarachter, en waarom voelen sommige wijken deze stijging extra hard?
Lokale lasten lopen door
Ongeveer een zesde van het gemeentebudget komt uit lokale heffingen zoals OZB (onroerendezaakbelasting), rioolheffing, afvalstoffenheffing en parkeergeld. Deze inkomsten zijn belangrijk voor het onderhoud van de stad, van straten en bruggen tot parken en sportlocaties. In de gemeentebegroting staat dat de totale gemeentelijke heffingen stijgen van 778 miljoen euro in 2023 naar bijna 994 miljoen in 2026.
Parkeren wordt ook duurder. In het centrum betaal je volgend jaar 6,42 euro per uur, terwijl dat in 2023 nog 5,52 euro was. Ook in de centrumschil en buitenwijken stijgen de tarieven, al zijn die iets lager. Die gaan van 2,24 naar 3,20 euro per uur.
Voor ondernemers gaat het nog harder. De OZB voor niet-woningen, zoals winkels en bedrijfspanden, steeg vorig jaar 14,7 procent. Ook woningeigenaren merken het: de OZB stijgt van 104 euro in 2023 naar 119 euro in 2026. In wijken waar WOZ-waardes snel oplopen, zoals Hillegersberg-Schiebroek, Kralingen en Noord, kan de aanslag flink hoger uitvallen.
Waarom betalen we dit?
Gemeentelijke heffingen zijn geen ‘extra belasting’. Het zijn bijdragen voor de voorzieningen die iedereen gebruikt: straten, bruggen, scholen, sportvelden en parkeerbeheer. De kosten stijgen door inflatie, duurdere materialen, personeelstekorten en strengere duurzaamheidsregels. Dat dwingt de gemeente tot jaarlijkse verhogingen.