Waarom zoveel moskeeën zwijgen na haatbrieven: ‘Niet in de slachtofferrol kruipen’

Meerdere Rotterdamse moskeeën ontvangen begin september haatbrieven, sommige zelfs besmeurd met bloed. Eerst kreeg de Ayasofya-moskee een brief en een week later was het raak bij de Essalaam-, Kocatepe- en Mevlana-moskee. Het maken van een reportage blijkt lastig, omdat de besturen van de drie laatst genoemde moskeeën het probleem geen podium willen geven. Moskee Centrum de Middenweg begrijpt die terughoudendheid, maar waarschuwt: ‘Het risico is dat je het normaliseert.’

Jacob en Stefanie van der Blom zijn de oprichters van Moskee Centrum de Middenweg in Rotterdam-Noord. Deze keer ontvingen zij geen haatbrieven, maar dat is in het verleden weleens anders geweest. “In de afgelopen jaren hebben we een aardige bingokaart kunnen vullen met acties van kaartzenders”, vertelt Jacob. “Sommigen zijn echt om een boodschap naar je toe te brengen en anderen zijn puur bedoeld om je te beledigen.”

“Dit is echt een kleine fractie van de aantallen die we hebben binnengekregen”, vult Stefanie aan. “De eerste paar keer roep je wel even iedereen bij elkaar en op een gegeven moment is het gewoon afhandelen. Dan sturen we het door naar de gemeente en gaan we weer over tot de orde van de dag.” Tegenwoordig zien ze de dreiging vaker online, bijvoorbeeld via hatecomments op sociale media.

Gesloten gemeenschap
Centrum de Middenweg kiest ervoor om open te zijn over de kwestie rondom de haatbrieven en erover in gesprek te gaan. Maar dat de andere moskeeën daar niet voor kiezen, is volgens Jacob en Stefanie goed te begrijpen. “Als iemand een haatbrief stuurt, doet hij dat waarschijnlijk met het idee om groepen tegenover elkaar te zetten”, vertelt Jacob. Door te zwijgen voorkom je dat het doel wordt bereikt, volgens Jacob.

Stefanie benoemt nog een aantal andere factoren die mee kunnen spelen. “Bij Marokkaanse moskeeën speelt wantrouwen ook wel mee, zeker als je hoort over spionagepraktijken in Almere onder andere.” Ze verwijst hierbij naar een geheime operatie van de gemeente Almere, dat begin 2021 een aantal undercover onderzoeken naar moskeeën in Almere uitvoerde.

Ook de cultuur binnen de moslimgemeenschap is anders volgens haar. “Ik denk dat ze niet snel in de slachtofferrol willen kruipen. Als ik even voor mijzelf spreek: je hebt meerdere plekken waar je meldingen kan doen van moslimdiscriminatie. Maar als iemand een opmerking maakt tegen mij, zou ik eerder iets terugzeggen in plaats van dit melden bij een instantie.”

Moskeegangers
Waar sommige moslims het van zich af laten glijden, is het voor anderen aanleiding om er juist wel naar buiten te treden. Zo zijn de haatbrieven voor vaste moskeeganger en vrijwilliger bij Centrum de Middenweg, Samira Sabir, iets waaraan niet te wennen valt. “Het voelt een beetje als indringen. En het geeft ook een onveiligheidsgevoel. Er lopen ook heel veel kleine kinderen hier rond.” Het idee dat er mensen zijn die haten en het gemunt hebben op moskeeën beangstigd haar.

Ook de haat die erachter schuil gaat, is iets wat haar zorgen baart. “Dat iemand de moeite neemt en doet om zo’n brief op te stellen, zeker als het gaat om plak- en knipwerk om wat voor redenen dan ook, dan betekent dat dat het wel echt diep zit bij deze persoon of personen. Dan vind ik wel dat we daar iets mee moeten.”

Mohamed Abdulahi is een van de vaste imams bij Centrum de Middenweg en maakt zich vooral zorgen om het grotere plaatje. “Ik vind het gewoon echt heel jammer. Omdat je ziet dat een samenleving die gewoon naar elkaar omkijkt, langzaam steeds meer kapot gaat. Je ziet gewoon dat de haat naar elkaar groter is dan de verdraagzaamheid die er lange tijd is geweest. Daar baal ik gewoon van.”

Politiek
Het huidige anti-islamitische klimaat in de Nederlandse politiek helpt volgens hen niet mee aan meer begrip voor de moslimgemeenschap. “Als je twintig jaar lang een politicus hebt die alleen maar mensen bang aan het maken is voor islam. Op een gegeven moment gaat dat natuurlijk voet aan de grond krijgen in alle lagen van de samenleving. Ik denk dat we nu op een punt gekomen zijn dat we beseffen wat we twintig jaar lang onze samenleving in hebben laten stuwen”, zegt Jacob.

Wel is er veel vertrouwen in de gemeente en politie. “Als we in het verleden haatbrieven kregen”, vertelt Stefanie. “Dan hadden we een paar weken wat intensiever contact met de wijkagent en stuurden we het door naar de gemeente. Dat contact is altijd prettig geweest. Zeker de vorige burgemeester stond dicht bij de gemeenschap. Dat vonden we altijd heel fijn en we hopen dat dat zo blijft.”

Ook Politie Eenheid Rotterdam zelf geeft in een schriftelijke verklaring aan dat zij er dicht op zitten: “We zijn bekend met de verstuurde haatbrieven en meldingen vanuit meerdere moskeeën in Rotterdam. Belangrijk is dat onze wijkagenten in goed contact staan met de moskeeën en hun vertegenwoordigers. We onderzoeken wat we binnen de juridische kaders kunnen doen en welke maatregelen daarbij passend zijn.”

Oplossing
Wat er concreet tegen de dreigbrieven gedaan kan worden, blijft lastig. Ze zijn niet of nauwelijks te traceren en zelfs als de dader gevonden wordt, is dat geen garantie dat het niet opnieuw gebeurt.

De moskee kiest er daarom voor om op haar eigen manier met dit soort dreiging om te gaan. Imam Mohamed Abdulahi legt uit: “Aan de ene kant probeer je de mensen hier toe te spreken en uit te leggen hoe je islam kunt uitleggen aan mensen die er niks mee hebben, zodat er gesprekken ontstaan. En aan de andere kant is het een kwestie van de deuren openzetten, zodat andersdenkenden binnen kunnen komen en dan gaan we daar ook de moeilijke onderwerpen aan.”

Stefanie begrijpt de terughoudendheid bij andere moskeeën goed, maar benoemt ook de risico’s van stil blijven: “Het risico is dat je het normaliseert. Als mensen ons vragen om hier wat over te zeggen, dan vinden wij dat je er wel open over dient te zijn. Je moet daarin dus ergens de balans vinden.”

Volgens Jacob is het belangrijk om die openheid te blijven zoeken, ondanks de risico’s: “Natuurlijk is het een risico om in de media te komen. Maar dat betekent niet dat we onze mond moeten houden.”