NPRZ-aanpak in Carnisse is recept voor een tweede Tweebosbuurt

Wie door Carnisse loopt, waant zich op sommige plekken in een spookstad. Ruim tweehonderd woningen staan leeg en meer dan vijfhonderd op de slooplijst. De bewoners van 435 huizen zijn al vertrokken, als gevolg van de woningaanpak van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Carnissenaren zijn het vertrouwen in hun gemeente volledig kwijt. Wacht de wijk hetzelfde lot als de Tweebosbuurt?

In het kort
• In Carnisse grijpt de gemeente stevig in op de woningvoorraad door huizen op te kopen om ze te slopen of op te knappen.
• Uit onderzoek van Vers Beton en OPEN Rotterdam blijkt dat de bewoners van 435 huizen daardoor al moesten verhuizen. Er zullen er nog honderden volgen.
• De leegstand en grootschalige sloopplannen zijn verspreid door de wijk, waardoor de aanpak veel Carnissenaren raakt.
• Marco Pastors, directeur van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid, vindt dat sloop-nieuwbouw bij de realiteit van een stad hoort en gaat er onverstoorbaar mee door.
• De onrust en de sociale ontwrichting die het NPRZ in Carnisse heeft gecreëerd houden daardoor nog tien jaar aan.

Buiten is het bitterkoud, maar in Merel Hoes’ nieuwe huis aan het Krielerf in Vreewijk is het warm en knus. Het is de derde week van november, maar de kerstboom staat al. Na enige discussie is ‘ie, met goedkeuring van haar zoon, helemaal roze versierd. Merel is trots op haar nieuwe huis. Weken heeft ze geklust: het behang eraf, alle muren geverfd, er lag niet eens een vloer in.

Maar de verhuizing is niet alleen maar goed nieuws. Het betekent ook na achttien jaar haar geliefde wijk Carnisse achterlaten. Merel sluit daarmee een stressvolle periode af van zes jaar vol onzekerheden: “Je werd de hele tijd heen en weer getrokken: we gaan slopen, we gaan renoveren, nee, we gaan uitbouwen. Ik ben twintig kilo afgevallen. Het was echt janken om daar weg te gaan.”

“Op een gegeven moment hebben we gewoon gezegd: laat maar, we gaan. Ik wil ook niet jaren in onzekerheid zitten.” Merel maakte daarvoor gebruik van het aanbod van de gemeente om haar te helpen bij het vinden van een andere sociale huurwoning. Achteraf heeft ze daarvan spijt. Want vanwege alle stress van de verhuizing en de slepende aanloop daarnaartoe, is haar dochter het huis uit. Die woont nu bij haar vader. Dat was eerst nog om de hoek, op de Urkersingel. Maar die woningen worden gesloopt en ook hij moest daarom verhuizen. Naar Hoogvliet. Nu Merel langzaam haar plek begint te vinden in Vreewijk, hoort ze dat er eindelijk plannen zijn om haar oude huisje aan de Fazantstraat, dat leeg staat sinds zij is vertrokken, op te knappen: “Dan had ik net zo goed daar kunnen blijven.”

Merels verhaal staat niet op zichzelf. In de afgelopen twee jaar spraken we talloze Carnissenaren. Sommige huren, net als Merel, een sociale huurwoning, sommige zijn zelf huiseigenaar. Maar bijna allemaal hebben ze hetzelfde gevoel: de gemeente weet niets over hun wijk en heeft geen idee wat ze aan het doen is. Al sinds 2013 is de gemeente bezig om de woningvoorraad in Carnisse aan te pakken. Maar de bewoners zien geen resultaat. Sterker nog, volgens velen gaat de wijk achteruit: de gemeente koopt lukraak woningen op die veelal leeg blijven staan, buren die elkaar al jaren kennen verliezen elkaar uit het oog en veel nieuwe, tijdelijke bewoners hebben geen warm hart voor de volkswijk.

Sociale stijgers
Waarom richt de gemeente haar pijlen eigenlijk op de woningen in Carnisse? Met de wijk is op het eerste gezicht weinig aan de hand. Ze is in omvang en bouwjaren (vlak voor en vooral na de Tweede Wereldoorlog) vergelijkbaar met Blijdorp. De wijk bestaat uit appartementen, waarvan een deel langs brede groene singels is gebouwd. Het grote verschil is dat in Carnisse de huiseigenaren er in veel gevallen niet zelf wonen, maar de huizen verhuren. Maar liefst vijftig procent van de woningen wordt particulier verhuurd, terwijl woningcorporaties slechts twintig procent bezitten. Daarmee verschilt Carnisse van andere wijken op Zuid, zoals Bloemhof en Feijenoord; wijken waar de corporaties veel meer bezit hebben. Vaker dan in die andere wijken schiet het onderhoud van woningen in Carnisse tekort. Daarnaast kent Carnisse nog meer problemen: verkamering, slechte funderingen, een – volgens de gemeente – te weinig “gedifferentieerde” woningvoorraad [woningen van verschillende grootte en prijsklasse door elkaar, red.], en ondermijnende criminaliteit; het is allemaal aan de orde in de wijk.

Om de problemen met de woningvoorraad aan te pakken koopt de gemeente woningen op in Carnisse. Dan zijn er vervolgens twee opties: slopen en vervangen door nieuwbouw, of opknappen. Beide opties moeten meer grotere woningen opleveren die aantrekkelijker zijn dan de huidige, om zogenaamde ‘sociale stijgers’ aan te trekken. Daaronder verstaat de gemeente Rotterdammers die het sociaal-economisch beter hebben dan de gemiddelde huidige bevolking en Carnissenaren die de middelen hebben om een grotere nieuwe woning te kunnen betalen. Die verlaten Carnisse nu te vaak. De gemeente wil deze groep in de wijk houden. Alleen: de plannen gaan ten koste van de Carnissenaren die er soms al tientallen jaren wonen.

Wat is het Natonaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ)?
De aanpak van woningen is een van de belangrijkste onderdelen van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid, kortweg NPRZ. Dit programma startte officieel op 19 september 2011 en moet, onder leiding van directeur Marco Pastors, de ‘on-Nederlands’ grote problemen op het gebied van wonen, school, werk en veiligheid op Zuid aanpakken.

In twintig jaar moeten de cijfers – bijvoorbeeld de hoeveelheid vroegtijdige schoolverlaters, aantal uitkeringen of werkloosheidscijfers – in elk van deze pijlers op papier zijn gestegen naar het gemiddelde niveau van de vier grote Nederlandse steden (de G4); Rotterdam, Amsterdam, Utrecht en Den Haag. Driekwart van deze twintig jaar is al achter de rug, maar de achterstand op het gebied van wonen is hardnekkig: uit voortgangsrapportages van het NPRZ blijkt dat deze pijler structureel achterloopt op de planning.

De plannen binnen de woonpijler hebben betrekking op heel Rotterdam-Zuid. Van alle wijken is de aanpak in Carnisse verreweg het meest omvangrijk. Door de bouw van nieuwe, grotere woningen moeten ‘sociale stijgers’ op Zuid kunnen blijven. In vijftig à zestig procent van de nieuwe woningen lukt dat, in de overige veertig tot vijftig procent zijn bewoners uit andere delen van de stad of andere steden komen wonen. Doel is om van Carnisse op termijn een ‘gemengde wijk’ te maken, met name gezinnen zijn een belangrijke doelgroep

Om bestaande bewoners daarover mee te laten praten, vraagt de gemeente vanaf 2020 – ze koopt dan al enkele jaren woningen op in Carnisse – om hun inbreng. In Carnisse namen vooral woningeigenaren deel aan de participatie. De huurders die we in het kader van dit onderzoek spraken, kijken vaak argwanend naar de plannen. Niet in de laatste plaats omdat op dit moment in veel projecten sociale huurwoningen plaatsmaken voor koop- of middenhuurwoningen.

Eerste recht op koop
Het NPRZ gaat in Carnisse ver om de woonwensen werkelijkheid te laten worden. Zo zijn er ‘zachte’ middelen, zoals subsidies voor huiseigenaren om hun woning samen te voegen en te vergroten. Maar vaak is de tactiek van het NPRZ veel harder – en heel duur. Zo besteedde het programma de afgelopen jaren 71 miljoen euro om bijna vierhonderd woningen van particulieren aan te kopen. Dat blijkt uit onderzoek van Vers Beton en OPEN Rotterdam op basis van Kadasterdata. Behalve op de reguliere manier (via Funda) kocht de gemeente de meeste panden via een zogenaamd voorkeursrecht, dat voor een bepaalde tijd het eerste recht op koop geeft.

De gemeente ging met dat voorkeursrecht werken na de ervaringen met de opkoop van (slechts) 26 adressen aan de 2e Carnissestraat. Dat ging met horten en stoten en duurde van 2011 tot 2019, met overlast en veel onrust onder de bewoners tot gevolg. Met het voorkeursrecht kon ze meer tempo maken. Bij zo’n 1.100 adressen viel in de afgelopen jaren een brief op de deurmat waarin stond dat het huis voor een periode van drie jaar alleen aan de gemeente verkocht mag worden. Dat is bijna achttien procent van het totale aantal woningen in Carnisse. Eigenaren van die woningen zijn niet verplicht te verkopen. Maar als de gemeente het pand wil hebben om te kunnen slopen, dan is er vroeg of laat sprake van dwang. Er kan in zo’n geval namelijk worden overgegaan tot onteigening.

Vanaf 2018 begint de gemeente met het afroepen van het voorkeursrecht. Het lukt inderdaad om meer tempo te maken, met een piek in 2022 en 2023: in die jaren koopt ze voor ruim 18 miljoen euro per jaar respectievelijk 85 en 89 woningen, voor een gemiddelde koopsom van ruim twee ton. Ruim 80% van de aangekochte woningen staat momenteel nog overeind en wordt (deels) nog verhuurd. Koop breekt geen huur, dus als de gemeente huurwoningen van particuliere verhuurders verkrijgt, dan doet ze dat in sommige gevallen met huurders erin. Op dit moment is de gemeente in Carnisse huisbaas van 42 huurders met een contract voor onbepaalde tijd. Ook is ze lid van tientallen verenigingen van eigenaren, met alle lasten en plichten van dien.

Wat is is de Wet voorkeursrecht gemeente (Wvg)?
Hoe lukt het de gemeente om zoveel woningen in Carnisse aan te kopen? Daarvoor maakt ze sinds 2018 gebruik van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) – deze wet is later overgegaan in de Omgevingswet en heet nu ‘voorkeursrecht’. De wet wordt ‘gevestigd’ op een perceel zodat de gemeente het eerste recht van koop krijgt. Dat betekent niet dat je verplicht bent je huis te verkopen, maar als je dat wel wil, dan kan dat voor een bepaalde tijd alleen aan de gemeente. Het is dan verboden je woning via bijvoorbeeld Funda of aan een vriend of familielid te verkopen

In de praktijk gaat vestiging van de Wvg zo: als eigenaar krijg je een brief waarin staat dat de wet op je adres is ingevoerd. Dat gebeurt zonder aankondiging, de gemeente wil zo voorkomen dat beleggers gaan speculeren. Wil je verkopen, dan laat de gemeente je woning taxeren. De taxateur bepaalt de waarde op basis van kenmerken van de woning en de woningwaarde in dezelfde straat of buurt. Vervolgens reken je af, waarna de gemeente de nieuwe eigenaar wordt. Het idee hierachter: bij grote gebiedsontwikkelingen de gemeente behoeden voor speculatie op de markt als huiseigenaren doorkrijgen dat in hun wijk ontwikkeld gaat worden.

Het vestigen van een Wvg kan niet zomaar. De gemeente moet een stevig beargumenteerd (ontwikkel)plan hebben voor het betreffende stuk stad. De wet kan worden toegepast op zowel koopwoningen van particuliere eigenaren en verhuurde woningen van een belegger, als op winkel-, horeca, of bedrijfspanden.

Weerstand
Om de woningen in Carnisse te kunnen kopen, doet het NPRZ een beroep op geld van de Rijksoverheid. Daarnaast is er geld van de gemeente zelf nodig en rekent het NPRZ op bijdragen van de woningcorporaties. Zo is er in 2019 een beroep gedaan op Woonbron om miljoenen euro’s bij te dragen aan de sloop van 169 particuliere huurwoningen om plaats te maken voor 51 rijtjeswoningen. De corporatie zag het niet zitten, ook omdat ze de nieuwe woningen niet zou gaan verhuren. Woonbron stapte naar een nationale geschillencommissie en haalde haar gelijk, het plan strandde. Er is sindsdien weinig veranderd in de houding van de woningcorporaties. Uit het rapport van een onafhankelijke commissie die recent adviseerde over de NPRZ-pijler Wonen, blijkt dat de corporaties voet bij stuk houden: zij willen geen cent uitgeven aan de aanpak van de particuliere woningvoorraad. Zij besteden hun geld liever aan onderhoud en beheer van hun eigen bezit.

Ook bewoners zijn het in veel gevallen niet eens met de nieuwbouwplannen. Zoals aan de Fazantstraat, waar wethouder Bouwen en Wonen Bas Kurvers (VVD) in 2020 aankondigde 216 woningen en acht bedrijfsruimten te willen slopen. Bewoners, onder wie veel woningeigenaren, kwamen in opstand. Zij wisten de gemeenteraad, inclusief de grootste coalitiepartij Leefbaar Rotterdam, over te halen het plan te stoppen. Hoewel de woningen nog altijd overeind staan, kocht de gemeente in die straat wél 98 adressen op, inclusief 12 woningen in twee straten vlak ernaast. Dertig daarvan staan leeg en 53 worden tijdelijk verhuurd; op sommige adressen duurt de leegstand of “tijdelijke” verhuring al langer dan drie jaar.

Uit gesprekken met bewoners blijkt dat zij maar moeilijk grip krijgen op de aanpak van de gemeente. Veel bewoners weten niet waar ze aan toe zijn, mede vanwege de gebrekkige communicatie van de gemeente. Dat geldt niet alleen voor de Fazantstraat, maar voor de hele wijk. In totaal zijn er maar liefst twaalf plekken, verspreid over de hele wijk, waar de aanpak van de woningvoorraad gestalte krijgt.

Kopen om te slopen
Als je alle woningen in Carnisse telt die gesloopt zijn of worden, kom je momenteel uit op 531 woningen. Dit betekent dat in Carnisse bijna net zoveel bewoners uit hun woning gedwongen worden vanwege sloop, als in de Tweebosbuurt. In die buurt sloopte woningcorporatie Vestia bijna zeshonderd huurwoningen vanuit dezelfde NPRZ-visie als die in Carnisse: ruimte maken voor sociale stijgers. Omdat de gemeente de woningen eerst moet opkopen en daarna pas kan slopen, verloopt de aanpak in Carnisse veel minder snel dan in de Tweebosbuurt.

Dat het lang duurt, werd al bij het eerste project aan de 2e Carnissestraat duidelijk. De gemeente startte in 2013 met de aankoop van de 26 woningen, wat pas in 2019 met veel overlast voor omwonenden werd afgerond. Daarna duurde de sloop en bouw van de vijftien nieuwbouwwoningen vijf jaar. De aanpak kostte de gemeente 2,35 miljoen euro. Een woning die nu te koop staat aan de 2e Carnissestraat kost 550.000 euro, terwijl in 2024 de vraagprijzen bij oplevering tussen de 365.000 en de 400.000 euro lagen. Een forse prijsstijging waar een kleine groep woningeigenaren de vruchten van plukt, terwijl de gemeente en de rijksoverheid de investering voor hun rekening namen.

Inbraakwerend prikkeldraad
Ondertussen wordt de wijk er niet bepaald leuker op. Een stuk verderop aan de Urkersingel, de Walchersestraat en de Bevelandsestraat bevestigde de gemeente afgelopen zomer inbraakwerend prikkeldraad aan de schuttingen van de dichtgetimmerde woningen. De woningen verdwijnen volgend jaar onder de sloophamer, maar tot het zover is lijkt het in niets meer op een woonwijk. Dat zette een groepje bewoners aan tot een ludieke actie: ze versierden de hekken met Tibetaanse vredesvlaggetjes. Die zijn alweer vervangen door gelikte plaatjes van het nieuwbouwproject ‘Urkersingel’, een schril contrast met het prikkeldraad dat erdoorheen zichtbaar is. Na de sloop, die in 2026 begint, kan de wijk zich opmaken voor vijf jaar aan bouwwerkzaamheden: de (verwachte) oplevering van de nieuwbouw is in december 2030, veertien jaar na de start van het gemeentelijk project.

De Urkersingel rakelt bij Merel ook gevoelens op: “Mijn ex-partner woonde hier. Het was perfect voor de kinderen. Die konden gaan en staan waar ze wilden. Het maakte niet uit of ze bij mij waren of bij hem”, vertelt ze, kijkend naar de metalen platen op de portieken. Haar ex verhuisde naar Hoogvliet, omdat hij geen woning in de buurt kon vinden. En dat betekende het einde van de zoete inval en de school om de hoek: “Het heeft het allemaal wat moeilijker gemaakt voor de kinderen. Het voelt wel als een amputatie eigenlijk.”

Grondige aanpak
Naast slopen, kiest het NPRZ in andere straten voor een ‘grondige aanpak’ van nog eens honderden woningen. Ook hiervoor maakt de gemeente gebruik van het voorkeursrecht om vastgoed op te kopen. De bedoeling is om de woningen pas door te verkopen nadat deze zijn samengevoegd of vergroot met een uitbouw in de tuin, of door de (lege) zolder erbij te trekken. In heel Carnisse vroegen slechts drie mensen de subsidie aan de eigen woning samen te voegen of te vergroten.

Angelique Suijkerbuijk – die nota bene voor de gemeente werkt – was een van die drie Carnissenaren die van de subsidie gebruik maakte, voor een uitbouw aan haar woning. Ze ziet van dichtbij wat de aanpak met haar straat, de Van Swietenlaan, doet: “Op de hoek hier tegenover heeft de gemeente voor 236.000 euro een pand gekocht in 2022 dat sindsdien leegstaat.” Hoewel Suijkerbuijk de plannen niet afkeurt, deelt ze ook de frustratie van haar wijkgenoten over de leegstand. Ze wil dat de gemeente nu snel actie onderneemt.

Wat bewoners al jaren zagen, ziet de gemeente inmiddels ook: de samenvoeg-aanpak in Carnisse is mislukt. Dat inzicht leidde er in 2024 toe dat de gemeente stopte met de inzet van het voorkeursrecht om woningen aan te kopen om samen te (laten) voegen. In januari 2026 stopt ook de subsidie voor samenvoegen en vergroten voor huiseigenaren. Ondanks de zeer magere resultaten vindt wethouder Zeegers dat de gemeente genoeg heeft gedaan om wijkbewoners mee te nemen in de aanpak: zij wijt ze het lage animo voornamelijk aan de sterk gestegen kosten van samenvoegen.

Straatbeeld
In 2023 komt een groepje Carnissenaren, onder wie Evelyne Hofman die aan de Korhaanstraat woont, bijeen omdat ze zich ergeren aan de leegstand. Ze trekken de wijk in en tellen destijds 95 lege woningen en daarnaast nog 25 woningen waarvan niet duidelijk is of die leegstaan. Evelyne verwoordt haar zorgen door in te spreken bij een vergadering van de wijkraad: “Leegstand betekent geen onderhoud, geen leven en verder verval. Dat ondermijnt de beoogde verbetering. En los van dit alles is het natuurlijk op z’n zachtst gezegd niet heel erg leuk voor iedereen die een huis zoekt, heel verdrietig zelfs.” De gemeente reageert niet op het noodsignaal.

Bij Merel, die toen nog in de Fazantstraat woonde, rijzen de twijfels of haar toekomst nog wel in Carnisse ligt: “Je wordt heel de tijd heen en weer getrokken: we gaan slopen, we gaan renoveren, nee, we gaan uitbouwen. Maar je huis is wel je veilige basis.” De onzekerheid kreeg langzaam maar zeker vat op haar. Achteraf zegt ze daarover: “Ik had niet zo lang daar in onwetendheid moeten zitten. Dan had ik niet zo lang dwars gedaan. Er waren wel andere buren die direct gingen. Dat waren voornamelijk mensen met een koopwoning: die kregen ineens veel meer geld voor hun woning van de gemeente dan van een particulier. Voor particuliere eigenaren was het eigenlijk wel gunstig.”

Uiteindelijk hakt Merel in 2024 de knoop door: ze stapt naar de gemeente met de wens om te verhuizen: “Er ging een hoop mensen mij voor, dat maakte het voor mij makkelijker. Alle buren gingen. Je kreeg zoveel leegstand. En de woningen waar wel mensen in kwamen, waren geen mensen waarmee je samen wilde wonen. Die gaven geen flikker om de wijk. Vanaf dat moment was er elke week gezeik: steekpartijen, het portiek helemaal onder het bloed. Het is leuk dat je het antikraak wil verhuren, maar dat maakte het echt heel veel slechter.”

Gedwongen verhuizen
De leegstand in de wijk is in twee jaar ruim verdubbeld. In totaal staan er nu zeker 244 woningen leeg in de wijk, soms omdat ze te slecht zijn om nog te verhuren en soms omdat ze op de nominatie staan om te worden gesloopt. Van de aangekochte woningen zijn er op dit moment maar 123 ‘goed genoeg’ om tijdelijk te verhuren.

Tel je alle woningen waaruit Carnissenaren zijn vertrokken bij elkaar op, dan kom je uit op 435. Of vertrekken met veel weerstand of vrijwillig gebeurt, hangt uiteraard van ieders persoonlijke situatie af. Maar feit blijft dat bij de keuze voor sloop er altijd een moment komt dat bewoners moeten vertrekken. Of ze nu willen of niet. Er zijn nog nauwelijks nieuwe huizen in de wijk bijgebouwd om naartoe te verhuizen. Met als gevolg dat vrijwel iedereen gedwongen is geweest de wijk uit te gaan.

Als je iets verder in de toekomst kijkt en het aantal sloopwoningen in Carnisse Eiland en Goereesestraat-Pleinweg meeneemt, dan komen er nog eens 263 gedwongen verhuizingen bij. Tel die op bij de 435 verhuizingen en het totaal aantal huishoudens dat de wijk moest verlaten komt op bijna 700 uit.


Invulling van de vastgoed onderdeel van de gemeentelijke aanpak in Carnisse per december 2025

Marco Pastors
Op 2 december is NPRZ-directeur Marco Pastors te gast bij de wijkraad van Carnisse. Op hun verzoek probeert hij een perspectief voor de bewoners te schetsen. Het tegenvallende tempo en de matige cijfers van de wijkaanpak tot nu toe, wijt Pastors aan het woningtype in Carnisse. De wijk bestaat voor tachtig procent uit ‘kwetsbare meergezinswoningen’, die Pastors samenvat in ‘drie g’s’: gestapeld, gehorig en geen lift. Maar, niet getreurd: “We staan aan de vooravond van een herstart van de woningvoorraadverbetering. Het gaat echt om een integrale aanpak van misstanden en de inzet van subsidies als mensen zelf hun woning willen verbeteren.” Stilte in de zaal, de meeste bewoners zitten uitdrukkingsloos met hun armen over elkaar te luisteren. Pastors vervolgt: “Sloop-nieuwbouw is ook naar de toekomst toe een instrument dat we willen inzetten. Wij willen dat met jullie samen uit gaan werken. Bij deze een uitnodiging om daaraan deel te nemen.” Als Pastors gaat zitten applaudisseert een bewoner, waarna de andere bezoekers ongemakkelijk heen en weer schuiven op hun stoel.

Een week later, op het kantoor van het NPRZ in de Tarwewijk, vragen we directeur Marco Pastors of het NPRZ volgens hem op koers ligt met het aanpakken van de woningvoorraad. Daarover is hij kort: “Nee. We hadden 10.000 woningen in 20 jaar tijd aan moeten pakken, maar we zitten op 2.600. Eigenlijk hadden we meer geld uit moeten geven, ook in Carnisse.” Maar, voegt hij toe, die 71 miljoen euro die tot nu toe is geïnvesteerd, is niet weg: “Die woningen gaan weer worden verhuurd of verkocht.” Of dat in praktijk zo uitpakt valt te bezien. Aan de 2e Carnissestraat leed de gemeente namelijk onderaan de streep 2,35 miljoen euro verlies.

Liefst had hij gezien dat een groter deel van de aangekochte huizen er niet meer stond: “Sloop-nieuwbouw hoort bij de realiteit van een stad. Het idee dat je dat alleen bij hoge uitzondering moet doen [daar moeten we vanaf, red.]. Heel veel woningen raken uit de tijd, verduurzamen kost ontzettend veel geld.” Hij vindt het niet-slopen van de 216 woningen aan de Fazantstraat een gemiste kans: “Ik vond ons plan beter dan dat van de bewoners en de raad, maar ja, dat is democratie hè. Dus daar doen we het mee.” Volgens Pastors is het aanpakken van de woningvoorraad een belangrijk onderdeel van een aanpak om achterstanden in te lopen: “Een wijk wordt gebouwd en dan komen er hele vitale bewoners in, arbeidersgezinnen. Maar die arbeidersgezinnen stijgen door en dan krijg je te veel kwetsbare mensen in die wijken. Dat is in Carnisse het geval, en dat komt door die woningen.”

Toch hoeven de huidige bewoners van Carnisse volgens hem niet te vrezen voor een herhaling van de Tweebosbuurt: “Daar gingen we te snel, dat gaan we niet meer doen.” Pastors benadrukt dat op de plekken waar de gemeente woningen koopt met huurders erin, er goed voor hen zal worden gezorgd: “Ook voor de huurders in Carnisse geldt het sociaal statuut, tenzij met de huurder en de verhuurder bij de verwerving van de woning andere afspraken zijn gemaakt.” Het stedelijk sociaal statuut is een jaar geleden, in december 2024, na een lang proces vastgesteld door de gemeenteraad. Het gold dus niet voor alle Carnissenaren die de jaren daarvoor uit hun woning vertrokken.

Maar Pastors’ aandacht lijkt toch vooral uit te gaan naar het binnenhalen van geld voor de woningaanpak, ondersteund door het commissierapport dat 365 miljoen euro aan Carnisse toekent. Daarin staat ook het advies om te stoppen met samenvoegen en vergroten van woningen, wat Pastors jammer vindt: “Het erbij kopen van de woning van je buurman is nog steeds de goedkoopste manier om aan een tweemaal zo grote woning te komen. Als mensen dat toegelicht willen, kunnen ze bij ons aankloppen.” Dat er tot op heden in heel Carnisse maar drie keer van de beschikbare subsidie gebruik is gemaakt, is volgens Pastors geen teken dat de aanpak is mislukt.

Wel trekt hij het boetekleed aan als het aankomt op alle leegstand die de aanpak op dit moment in de wijk veroorzaakt: “De regel is dat we tijdelijk verhuren. Alleen als de verbouwing heel dichtbij is, of als de woning in heel slechte staat is, is het onverantwoord en verhuren we niet.” Pastors is er niet trots op dat er in Carnisse momenteel 244 lege woningen staan (waarvan 123 in de tijdelijke verhuur): “We hadden daar scherper op moeten zijn.”

Het niet op koers liggen, de leegstand en het kritische rapport brengen hem niet in de war: “Ik ben overal voor verantwoordelijk. Dus ik vind het jammer dat we niet sneller meer geld hebben kunnen vinden.” Dat de aanpak volgens de commissie vijf jaar langer gaat duren dan de looptijd van het NPRZ, is voor Pastors geen bezwaar: “Mijn aanstelling is net verlengd tot 2029, dan kijken we weer verder.”

Twee boodschappen
Stadssocioloog Arnold Reijndorp heeft zo zijn bedenkingen bij de huidige aanpak in Carnisse, waarbij de focus vooral ligt op de woningvoorraad. Reijndorp is een van de auteurs van het rapport Stad en Stijging (2006) van de VROM-raad, dat ook vandaag de dag nog relevant is. “Ons uitgangspunt was: ga nou eens meer uit van de ambities van mensen die nú al in de wijk wonen.” Bij een onderzoek naar stadsontwikkeling in Lelystad waar Reijndorp aan meewerkte, bleek dat bewoners veel zelf, of met hulp van familie en vrienden, hadden verbouwd. Reijndorp denkt dat die blik – ‘wat is er al en wat kunnen we versterken?’ – iets waar het NPRZ vanaf het begin aan voorbij is gegaan.

In zijn ogen zet het NPRZ in op het binnenhalen van mensen van buitenaf, waar hij kritisch op is. Daarnaast leerde Reijndorp, vanuit zijn betrokkenheid bij de burgerbeweging Recht op de Stad, uit gesprekken met bewoners van de Fazantstraat dat de gemeente weinig oog had voor wat bewoners zelf al in hun woning hadden geïnvesteerd. “Misschien zijn er wel al woningen samengevoegd. Je kan toch ook een expositie hebben van wat mensen al zelf hebben gedaan?”

Naast meer focus op de kracht en ambitie die er al in een wijk is, vindt Reijndorp dat het NPRZ in de communicatie te veel de achterstanden benadrukt: “Let op je woorden. Iedere keer komt dat ‘afvoerputje’. Daar kan ik me zo ongelofelijk kwaad over maken. Dat dan weer iemand gaat roepen: die wijken zijn het afvoerputje en er moet geld naar toe. Ik heb dat nooit begrepen, dat je twee boodschappen de wereld in stuurt: deze wijk is heel slecht en komt u ook vooral hier wonen.”

Hij pleit ervoor dat het NPRZ de successen meer viert, iets wat volgens hem tijdens de stadsontwikkeling rondom de Nieuwe Binnenweg in de jaren ‘70 en ‘80 veel meer gebeurde: “Een beetje moed erin houden. Dus iedere keer als er weer een paal in de grond ging, was het weer feest. Die sfeer krijg je er alleen maar in als het NPRZ gedragen wordt door de bewoners, in ieder geval door de actieve bewoners. (…) In plaats van: ‘nee, nee, nee toch meer geld nog erbij, het gaat toch langer duren dan we dachten…’”

Gemis
Uit een recent rapport blijkt dat er nog zeker 365 miljoen nodig is om de aanpak in Carnisse tot een goed einde te brengen. Uit gesprekken met de gemeente komt naar voren dat er, zoals vaker bij het NPRZ, eerst wordt ingezet op het ophalen van geld voordat er wordt gekeken wat er precies mee gaat gebeuren. Voor de 42 vaste huurders van de gemeente en de honderden Carnissenaren die al jaren naast lege woningen wonen, betekent dat voorlopig onduidelijkheid.

Als Merel in december teruggaat naar haar oude woning in Carnisse, is ze zichtbaar geëmotioneerd: “Nog steeds als ik hier loop, denk ik: dit is wel echt mijn wijk. Het was alsof je hier in een commune leefde.” Ze mist haar buren, die naar Ommoord verhuisden, de andere buren vertrokken naar het centrum. “We hebben onderling wel wat contact, maar zijn wel echt uit elkaar gerukt.” Het co-ouderschap met haar ex-man die in Hoogvliet terechtkwam, werd ook een stuk ingewikkelder. Merel: “De gemeente heeft nu wel haar zin. Wij zijn de minderbedeelde mensen, ze wilden ons weg hebben.” Vreewijk kan haar nog niet bekoren: “Hier staat hier nooit iemand aan de deur, daar stond altijd iedereen aan de deur. Even een praatje maken, dat gebeurt hier niet. Vrienden blijven weg. Ik had in Carnisse wel oud willen worden.”

Over dit onderzoek
Dit onderzoek is een samenwerking tussen OPEN Rotterdam en Vers Beton en mede mogelijk gemaakt dankzij een bijdrage van het Mediafonds van de Provincie Zuid-Holland en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Het onderzoek is gedaan door Sascha Meijer en Teun van den Ende. De fotografie is van Angeniet Berkers en Itam van Teeseling en de illustraties zijn van Joyce de Vries.

Het onderzoek naar de woningaanpak in Carnisse begon toen OPEN Rotterdam in september en oktober 2023 met wijkbewoners in contact kwam. Er was veel onrust in de wijk als gevolg van het opkopen van woningen door de gemeente, via het voorkeursrecht.

Tussen mei 2024 en december 2025 analyseerden onderzoeksjournalisten Sascha Meijer en Teun van den Ende honderden documenten en databestanden die te maken hebben met de aanpak. Daarbij maakten zij gebruik van (geanonimiseerde) data over de aangekochte woningen en de koopsommen, van het Kadaster en cluster Stadsontwikkeling van de gemeente Rotterdam.

De belangrijkste bron voor het onderzoek zijn de verhalen van de bewoners. Op basis van elf diepte-interviews en talloze kortere gesprekken met bewoners, zijn de effecten van de aanpak op het leven in de wijk, geanalyseerd. In totaal spraken OPEN Rotterdam en Vers Beton met zo’n zestig bronnen.