Burgemeester Schouten is aanwezig bij herdenking Loods 24 ondanks protest

Burgemeester Carola Schouten is toch aanwezig bij de herdenking bij Loods 24. Ze heeft deze keuze gemaakt ondanks het verzoek van 63 organisaties weg te blijven vanwege de aanwezigheid van de Israëlische ambassadeur. Ze vindt het haar taak als burgemeester om alle mensen die hier woonden, werkten, liefhadden en hoopten te herdenken.

Het gaat om de jaarlijkse herdenking van de 6790 Joodse Rotterdammers, waaronder veel kinderen, die in 1942 vanaf Loods 24 in Rotterdam-Zuid zijn weggevoerd naar straf- en vernietigingskampen. De ambassadeur van Israël, Zvi Aviner Vapni, zal daarbij aanwezig zijn en een toespraak houden. De herdenking bij Loods 24 vindt plaats op donderdag 30 juli.

Maar liefst 63 organisaties en personen ondertekenden een brief aan de burgemeester. Ze vinden het onbegrijpelijk dat “de Israëlische ambassadeur als officiële vertegenwoordiger van het Israëlische regime een prominente rol krijgt tijdens een herdenking die juist is gewijd aan de slachtoffers van genocide en aan de waarschuwing tegen ontmenselijking”.

In hun brief aan Carola Schouten verzoeken ze daarom dringend 1) Stichting Loods 24 aan te spreken op de keuze de Israëlische ambassadeur uit te nodigen en te vragen deze in te trekken, 2) de bezwaren van enkele Joodse organisaties en individuen onder de aandacht te brengen en 3) zelf niet deel te nemen aan de herdenking zolang de Israëlische ambassadeur onderdeel blijft van het programma.

In een brief laat Carola Schouten nu weten toch te gaan. Volgens haar draait het bij de herdenking om de Joodse slachtoffers die tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit Rotterdam werden gedeporteerd.

Ze schrijft: ‘Juist in een tijd als deze vind ik het daarom belangrijk om vast te houden aan de essentie van de herdenking bij Loods 24. Herdenken is daarbij geen keuze tussen het ene of het andere verdriet. Door te herdenken blijven we ons herinneren waartoe haat, uitsluiting en ontmenselijking kunnen leiden. Het vraagt van ons dat we ieder mensenleven als evenveel waard zien. Daarmee doen we ook recht aan allen die ervaren hebben wanneer dat niet meer gebeurt. Of nog steeds ervaren.’