De zaal waarin de Rozenburgse dorpsraad wordt gehouden zit op dinsdagavond vol. Rozenburgers zijn gefrustreerd over de overlast in het dorp van arbeidsmigranten die daar gehuisvest worden. Bewoners pleiten voor zelfbewoningsplicht en opkoopbescherming, maar Rozenburg voldoet niet aan de criteria die de gemeente hiervoor stelt. Dit werd toegelicht door gemeenteambtenaren in de dorpsraad.
De gemeente heeft specifieke regels voor het wel of niet invoeren van opkoopbescherming. Een wijk moet aan minimaal twee van deze criteria voldoen. Goedkope en middeldure koopwoningen moeten meer dan gemiddeld verhuurd worden. Voor Rotterdam betekent dat dat er meer dan 1000 woningen verhuurd moeten worden, en dat het percentage van het aantal woningen in de wijk dat verhuurd wordt minimaal 24% moet zijn. Ook moet de groei van het aantal goedkope en middeldure woningen gestegen zijn met 20% sinds 2015. Rozenburg voldoet volgens de gemeente niet aan deze criteria.
‘Ik ben uiteindelijk boos weggelopen’, vertelt Rozenburger Deborah Kooning. Zij is een petitie gestart voor de realisering van opkoopbescherming en zelfbewoningsplicht, die inmiddels ruim 1500 keer ondertekend is. Ze benadrukt dat ze niks tegen arbeidsmigranten heeft, maar dat het haar vooral gaat om het type bewoning. Huizen worden volgens haar opgekocht door particulieren zoals uitzendbureaus, en vervolgens verkamerd voor de huisvesting van werknemers. Deze bewoners veroorzaken vervolgens regelmatig geluidsoverlast en zijn bijvoorbeeld dronken in het openbaar. Kooning: ‘Maar dat is uitzondering, horen we dan. Pardon? Uitzondering? Dit is dagelijks in heel Rozenburg.’
Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Volgens Rozenburgers zouden opkoopbescherming en zelfbewoningsplicht een goede oplossing zijn. Een koper moet dan namelijk zelf in de woning wonen en mag hier niet zomaar andere mensen in huisvesten. Maar het ziet er niet naar uit dat dit in Rozenburg gaat worden ingevoerd. Voor Deborah Kooning betekent dit echter niet het einde. Kooning: ‘To be continued. Want dit maakt ons alleen maar strijdlustiger.’