‘Kon de minister de zogenaamde bed-bad-broodregeling zomaar van de ene op de andere dag afschaffen?’. Die vraag stond deze week centraal in de rechtbank in Rotterdam tijdens de rechtszaak die advocaat Pim Fischer van Fischer Advocaten uit Assen heeft aangespannen namens 23 mensen zonder papieren tegen de afschaffing van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) per 1 januari 2025.
Het besluit om de bed-bad-broodopvang te sluiten werd genomen door toenmalig minister Marjolein Faber (PVV). De opvanglocaties zouden per 1 januari 2025 sluiten. Inmiddels is Faber in het demissionaire kabinet opgevolgd door David van Weel (VVD).
Fischer diende namens 546 ongedocumenteerde mensen bezwaar in tegen het besluit. Dat gebeurde in de vijf steden met een Landelijke Vreemdelingenvoorziening: Amsterdam, Groningen, Utrecht, Eindhoven en Rotterdam.
In vijf rechtszaken oordeelden rechters vervolgens dat de betrokken vreemdelingen voorlopig niet op straat mochten worden gezet, zolang de minister nog niet op het bezwaar had gereageerd. Alleen in Rotterdam kwam er al een reactie van de minister. Daar bleef het besluit om de opvang te sluiten overeind. Dus stapte Fischer naar de rechter namens de 23 Rotterdamse vreemdelingen.
In strijd met het Europees recht
Advocaat Pim Fischer werd tijdens de zitting bijgestaan door collega Jelle Klaas en migratierechtonderzoeker Carolus Grütters. Volgens Fischer handelt de minister in strijd met het Europees recht door ongedocumenteerde mensen op straat te zetten.
Ook wie niet meewerkt aan terugkeer heeft volgens hem recht op minimale zorg. “Dat staat duidelijk in het Europees recht”, stelt Fischer. Daarnaast noemt hij de vrijheidsbeperkende locatie geen passend alternatief voor zijn cliënten, die hij omschrijft als kwetsbaar.
De rechter vroeg landsadvocaat Jules de Kort of de keuze om niet mee te werken aan vertrek volgens de minister gelijkstaat aan de keuze om op straat te leven. Dat klopt, volgens hem. In het Europees recht ziet hij geen verplichting om deze groep onderdak te bieden. Maar volgens Fischer kunnen veel van zijn cliënten die keuze in de praktijk niet maken. Zij hebben vaak ernstige medische of psychische problemen. Anderen willen volgens hem wel terug, maar kunnen dat niet, bijvoorbeeld door gebrek aan documenten of medewerking van het land van herkomst.
‘De Faber-retoriek’
“Het was deels een zeer technische en juridische zitting”, blikt Klaas terug. “Maar de echte problemen, de pijn van mensen in de problemen die geen kant op kunnen en de vraag of de overheid hiervoor onverschillig kan zijn, die zijn goed belicht en daar heeft de rechter ook op doorgevraagd.”
Volgens Maarten Goezinnen, coördinator bij Stichting ROS, verdedigde De Kort zijn standpunten vooral met de Faber-retoriek: “Hij bleef erop hameren dat vreemdelingen recht hebben op opvang in de VBL, oftewel de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel, mits zij meewerken aan hun terugkeer.” Goezinnen heeft zelf andere ervaringen met vrijheidsbeperkende locaties: “Ik ken genoeg mensen die daar naartoe willen, maar die niet worden toegelaten”, zegt hij. In zijn ervaring is zicht op terugkeer een voorwaarde voor een plek, terwijl dat voor veel ongedocumenteerden juist ontbreekt.
De uitspraak over zes weken beslist of er een voldoende juridische grondslag was voor de beëindiging van de opvang of dat de Nederlandse overheid in strijd handelde met internationaal recht.